Schapen
De Bûtewei vormde vroeger de grens van het drogere bouwland aan de noordzijde tot aan de Binnenweg, Selmien, Boerestreek en Weibuorren. Aan de zuidkant lag de uitgestrekte heide tot aan de hooilanden van “It Âlddjip” of Koningsdiep. Deze heide maakte deel uit van het landbouwsysteem zoals dat eeuwenlang heeft plaats gevonden. Er werd verteld dat de 'ooihoeder' (schaapsherder) vaak in een hoge boom, die aan de Bûtewei stond, klom. Al breiend had hij dan goed zicht op de Drentse schapen die overdag op de heide hun kostje bij elkaar scharrelden. Vanwege de mest werden de dieren aan het eind van de dag teruggebracht naar het schaaphok bij de boerderijen op het Selmien aan de westkant van de N.H. kerk. Hier werd hun mest opgenomen door plaggen die op de heide werden gestoken. Deze mest werd op het bouwland gebruikt voor de gewassen. Later ging de boom, waar de schaapsherder destijds vaak in zat, te ver over de doorgaande weg hellen, zodat deze in opdracht van de gemeente is omgezaagd.
"Stratendrek"
Naast de mest van de schapen werd er "stratendrek" of stadsvuil als meststof gebruikt. Dat was afval, niet alleen bestaande uit bij elkaar geveegde bladeren, takken, zand, modder en slib, maar ook etensresten, schillen, groente- en tuinafval en uitwerpselen (van de paarden, huisdieren en de inwoners) uit steden. Vele jaren later werden er nog restanten van stukjes aardewerk, pijpenkoppen e.d., afkomstig uit de steden, hier en daar op het land gevonden.
Fundatiebosk
Via de reed (het pad) naast het "Fundatie-bosk" (het 'bosk' is op de landkaart van 1927 groen) liepen de schapen oorspronkelijk van de heide naar de schaapskooi op het Selmien en v.v. De naam "Fundatiebosk" verwijst naar de "Van Teijens Fundatie", de eigenaar.
"Eekschillers"
In de periode van begin mei tot begin juni in plm. 1955 zijn er bij dit 'bosk' eens "eekschillers" (= eik schillen) op de reed geweest. Ze sliepen in een woonwagen en hadden een geit bij zich voor de melk. De vrouwen kookten buiten het eten in een pan aan een driepoot boven een open vuur. De dunne eikentakken werden gekapt en in stukken van ongeveer 75 cm gezaagd. Met de platte kant van een klein bijltje werden de stokken van de bast ontdaan, het zogeheten kloppen. In deze tijd van het jaar kon men de bast gemakkelijk afhalen, bij elkaar gebonden en gedroogd. Deze eikschors ging naar de leerlooier die het gebruikte voor looistof om leer te looien. De eekbasten bevatten looizuur, dat nodig was om leer te looien. Het hout dat overbleef werd door de bakker gebruikt om zijn ovens te stoken.
