Reinder Jacobus de Stoppelaar
Reinder Jacobus de Stoppelaar werd geboren op de grote herenboerderij aan de Ureterper vaart, die later verbouwd werd tot ‘It Earmhûs’ en tot de komst van De Lijte in 1971 dienst heeft gedaan als rusthuis. Reinder was een zoon van Jacobus de Stoppelaar en Martzen R. Taekema. Het echtpaar had elkaar leren kennen in Hengelo waar Martzen een opleiding volgde aan een land- en tuinbouwschool voor doopsgezinden. De vader van Jacobus was daar directeur. Martzen was een telg uit de doopsgezinde Taekema familie, die een aantal boerderijen en landerijen bezat aan het Selmien (o.a. Bosma Zathe).Het Selmien werd daarom ook wel “It Mennisten Himeltsje” genoemd..
Reinders moeder bestierde een uitgebreide groente- en fruitkwekeri aan de Vaart. De opbrengst werd verkocht of als conserven ingeblikt, die dan gretig aftrek vonden in o.m. Ned. Indië.
De liefde voor de natuur heeft de jonge Reinder van huis uit meegekregen. Want eerbied en respect voor de schepping en de natuur is een fundament van de doopsgezinde Broederschap.
Dominee en kassier
Na zijn studie theologie in Leiden en Amsterdam werd Reinder in 1901 benoemd als doopsgezind predikant in Graftdijk. In datzelfde jaar trouwde hij met Maria Jacoba de Lang. Het echtpaar kreeg vier dochters, waarvan een al na een half jaar is overleden.
Het vlakke Hollandse polderlandschap was echter niet zijn ding. ’It Heitelân’ trok en van 1911 tot zijn emeritaat in 1938 was hij predikant van de kleine doopsgezinde gemeente Wergea. Van het schamele traktement kon het gezin nauwelijks rondkomen. Daarom werd hij o.a. kassier van de boerenleenbank en schreef hij in diverse kranten en tijdschriften over de natuur en het boerenleven in het Friese waterland. Door hem leerde Nederland de Oude Venen kennen.
Dominee en natuurvorser.
Dagenlang zwierf hij met zijn bootje en zijn tekenmap door de Oude Venen, Het Princenhof en de Saiter petgaten. Of hij meerde aan bij de boeren, die letterlijk worstelden om het hoofd boven water te houden in de sompige veenmoerassen. De Stoppelaar was een rasverteller. Uit zijn beschrijvingen en scherpe waarnemingen spreekt zijn eerbied en liefde voor de schepping en de natuur. Vele natuurboeken heeft hij geschreven, soms alleen maar ook samen met andere bekende natuurvorsers als Jac. P. Thijsse, Jan. P Strijbos en Eli Heimans.
Zijn stijl was helder en bezield. Hij schreef over mist boven het land alsof het een gebed was, en over het riet alsof het kon zingen. In zijn beschrijvingen klonk de stem van een man die wist dat schoonheid niet alleen gezien, maar ook gehoord en gevoeld moest worden. Zijn observaties waren precies, maar nooit afstandelijk. ‘Wie luistert,’ schreef hij eens, ‘hoort hoe de schepping ademt’.
Geen wonder dat hij een van de toonaangevende oprichters werd van It Fryske Gea en dat in Wergea een straat naar hem vernoemd is.
Betekenis .
De Stoppelaar was een vroege pleitbezorger van natuurbeschouwing en natuurbescherming. Hij maakte de natuur niet alleen onderwerp van wetenschap, maar vooral van verwondering en eerbied. Zijn teksten werden gelezen door mensen die de natuur leerden zien en kennen door zijn woorden. Voor velen was hij een gids die het gewone in het buitengewone kon veranderen.
Na zijn emiraat in 1938 is hij met zijn gezin naar Enschede verhuisd, waar hij in 1948 is overleden.
Wat bleef, waren zijn woorden – verspreid over oude tijdschriften en bundels – en de herinnering aan een man wiens wieg weliswaar in Ureterp stond , maar die in de stilte van het Friese land zijn evenwicht vond tussen geloof en natuur.
Vandaag klinkt zijn naam niet vaak meer, maar struin eens rond in de Alde Feanen, te voet of over het water. Je kan nog steeds overvallen worden door dezelfde verwondering en eerbied voor de natuur die 100 jaar geleden door de Stoppelaar zo treffend beschreven is.
Sytse en Maaike
Dominee de Stoppelaar had een bijzonder hechte band met het kluizenaarsechtpaar Sytze en Maaike Sytsma. Die woonden in een schamel zelfgebouwd onderkomen op een klein schiereilandje bij de Holstmeer.
‘s Winters waren ze geheel van de buitenwereld afgesloten. Bij hoog water werd de schouw aan de deurklink vastgebonden en de geit op zolder gebracht. Met deze mensen, die leefden van en tevreden waren met alleen datgene wat de natuur hen opleverde, voelde de Stoppelaar zich nauw verbonden. Uren kon hij met hen filosoferen en hij had diep respect voor hun levenswijsheid en levenswijze. Tot hun dood heeft de Stoppelaar zich over hen ontfermd.







