Het oude rusthuis aan de vaart, deel 1
Deze keer het verhaal van een markant gebouw met een even markante historie. Het heeft helaas de tand des tijds niet kunnen doorstaan door in 1984 een roemloos einde te vinden in een vlammenzee. Ik heb het dus over het oude rusthuis aan de Vaart.
Eind 1972, nu 50 jaar geleden werden de laatste bewoners van het oude rusthuis aan de Ureterper Vaart overgebracht naar het splinternieuwe moderne verzorgingscentrum de Lijte. Het oude gezegde van ‘een oude boom moet je niet verplanten’, gold ook hier. Vele oudjes konden hier eerst maar moeilijk hun draai vinden. Ondanks alle moderne voorzieningen en betere huisvesting misten velen de geborgenheid, de gemoedelijkheid en de knusheid van hun oude tehuis Het was voor velen moeilijk wennen aan de zakelijkheid, efficiency en de minder persoonlijke aandacht. Maar daarover later meer.
Mijn informatie heb ik vooral van wijlen Ernst Huisman uit Beetsterzwaag en van de laatste beheerster van het oude rusthuis, Willemke Lap.
In deze editie een overzicht van de geschiedenis van de ouderenzorg in Ureterp.Het eerst bekende earmhûs en het oudste van Opsterland dateert van omstreeks 1850 en stond eveneens aan de Ureterper vaart Het had een werschuur. waar de bewoners o.a. vlas moesten braken en puin kloppen.
In 1884 kocht de ‘Algemene Armvoogdij van Ureterp’ een royaal spul met ‘groote voorhuizing en stallen en schuren’ van Kornelis Rienks de Boer en Baredl Rienks v.d.Meer .Beide heren hadden twee jaar daarvoor het geheel gekocht van Jacobus de Stoppelaar, de vader van de latere mensen dominee en natuurbeschrijver Reinder de Stoppelaar. In de volksmond werd daarom de boerderij ‘De Stoppelaarspalts’ genoemd. Het was echter toen al geen boerderij meer, want de Stoppelaars verbouwden vooral groenten en vruchten, die ze zelf konden conserveren. Ingevroren of ingeblikt vonden hun producten aftrek tot aan Nederlands Indië toe.
De Stoppelaarspalts werd aangepast voor een ‘Tehuis voor Hulpbehoevenden’.Wel bleef er een werschuur met grote tuin en boomgaard bestaan, evenals een stal met varkens en vier koeien. De bewoners moesten dit voor zover ze konden zelf onderhouden.
Het bood onderdak en verzorging aan hoofdzakelijk armlastige ouderen, maar ook mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking werden zonodig liefdervol opgevangen. Tot 1924 heette het echter ‘het armhuis’. In de volksmond heeft deze benaming met een toch nare bijsmaak hardnekkig lang stand kunnen houden. Het aantal bewoners schommelde zo tussen de 20 en 30 personen.
Bestuur, beheer en administratie berustten aanvankelijk bij regenten, later aangevuld door gemeentelijke armmeesters. Toen op 1 jan. 1965 de Algemene Bijstandswet in werking trad, ging het tehuis en het bestuur over naar de gemeente.
Het dagelijks beheer kwam in handen van een earmhûsbâas.. Meestal was dit echter een beheerdersechtpaar, de armmeester en armmeestere.
De laatste beheerders waren Harmen de Wilde (1932-1952), de vader van Harm de Wilde de bekende Ureterper muzikant en liedjesschrijver. De laatste armvader was Johannes Tichelaar (1951-1969)
Daarna heeft als laatste † Willemke Lap met de rest van het personeel de leiding op zich genomen..
